index.htm

 

Multi-Impressie-Log:   beeld, literatuur,  filosofie  en theorie

 

Nog steeds niet uit:

 

Thomas Mann

De toverberg

http://nl.wikipedia.org/wiki/Thomas_Mann

 

De man zonder eigenschappen

Robert Musil

http://nl.wikipedia.org/wiki/Robert_Musil

 

De droom der rede

van Antony Gottlieb

 

Op zoek naar de verloren tijd

van Marcel Proust

 

 

 

 

gelezen:

 

februari 2008

 

Tine

Nelleke Noordervliet

 

Indonesië

Kees Ruys

 

Woede en Tijd

van Peter Sloterdijk

 

 

Mogelijkheid van een eiland

Michel Houellebecq

 

mei 2007

 

gelezen:

 

Regels voor het mensenpark

van Peter Sloterdijk

 

 

Het blinkende stof   

van Anna Tilroe

 

april 2007

opnieuw in beeld:

http://en.wikipedia.org/wiki/200_Motels

 

http://www.youtube.com/watch?v=TEjYNpoS-qI&mode=related&search=

 

gelezen:

De Literaire kring  van Marjolijn Februari

 

http://www.marjolijnfebruari.nl/

 

http://www.uk.rug.nl/archief/jaargang36/04/05a.php

 

gelezen:

Aantekeningen uit het ondergrondse (1864, oorspronkelijke titel: Записки из подполья) van Fjodor Dostojevski.

De roman begint met het gemopper van een gewezen ambtenaar die ‘in een smerige rotkamer’ aan de rand van Sint Petersburg woont, ‘de meest abstracte en bedachte stad van de hele aardbol’. Hij geniet van zijn eigen wanhoop en heeft het goed getroffen met zichzelf, met zijn luiheid en inertie. Hij heeft geen boodschap, laat hij weten, en schrijft voor zichzelf, uit verveling.
Maar dat liegt hij. Want er zit wel degelijk een boodschap in zijn klagerige nihilisme. En die is dat het 19de-eeuwse geloof in vooruitgang funest is. Hij haat het optimisme dat de vooruitgang wetmatig voort laat schrijden. Zijn wij werkelijk niet meer dan het product van chemische processen, niet meer dan de wiskundige optelsom van causale factoren?

 

Vertaald uit het Russisch door Monse Weijers

recentie in de volkstkrant 3 nov. 2006   Maarten Doorman

 

gelezen:

De Joodse Messias

van: Arnon Grunberg

www.dejoodsemessias.com

 

 

 

 

 

foto: ER 2006

 

 

introductie komende Nexus conferentie op 11 november 2006

 

 New Notes Towards the

Definition of Western Culture

 

New Notes Towards the Definition

of Western Culture

Part i. The Classics, Art, and Kitsch

i

Het Louvre is in brand gestoken! Eeuwenoude meesterwerken voor eeuwig verloren!

De massa wil de cultuur vernietigen!... Snel als vuur verspreidt het nieuws zich

door Europa in juni 1871. Nietzsche verneemt het in Bazel en op 21 juni schrijft

hij aan een vriend over de schok, het verdriet en de twijfel die hem nu beheersen.

Twijfel, diepe twijfel over de zin om filosoof of kunstenaar te zijn. Twijfel, niet

alleen op grond van dit exces, de moedwillige vernietiging van de grootste meesterwerken,

maar ook omdat al langer duidelijk is dat er een strijd gaande is tegen de

cultuur. En toch, zo vervolgt hij zijn brief, weigert hij om de vernielzuchtige massa

iets te verwijten. Nietzsche is ervan overtuigd dat wij allen verantwoordelijk zijn

voor het feit dat een cultuur die meer dan twee millennia het fundament was van

onze samenleving, nu haar waarde heeft verloren.

Het gevoel dat hem in die dagen bevangt, omschrijft hij als: Kultur-Herbst-gefühl.

De Europese cultuur is aan het sterven, het fundament waarin ze geworteld is,

verdwijnt. Weldra bleek het nieuws een gerucht te zijn: geen brand, geen meesterwerken

vernietigd. Maar voor de analyticus van de Europese cultuur was dit al niet

meer van belang. Hij bleef overtuigd van de ‘Herbst der Kultur’ en zou zijn analyse

alleen maar aanscherpen: er is geen waarheid en geestelijke waarden hebben geen

bestaan; niets heeft in zich betekenis, alles is relatief; niets blijft, niets is universeel.

De gevolgen, aldus Nietzsche, laten zich gemakkelijk voorspellen: moraal en metafysica

kunnen niet langer bestaan; Bildung moet plaatsmaken voor nuttige kennis;

kunst zal haar betekenis verliezen en meesterwerken worden irrelevant; het enige

recht dat rest, is het recht van de sterkste; de samenleving zal zich overgeven aan

idolen om de eigen onbenulligheid te vergeten, en als de roes van de vergetelheid

is uitgewerkt, ontwaakt het nihilisme en baart zijn twee boosaardige kinderen:

terreur en barbarij.

i i

‘Kultur-Herbst-gefühl’: Ulysses van Joyce, Der Mann ohne Eigenschaften van Musil,

Les Thibault van Martin du Gard, Moses und Aron van Schönberg, de poëzie van

Celan, de werken van Duchamp en Mondriaan, de beschouwingen van Freud en

zo verder — zoveel meesterwerken in de twintigste eeuw zijn een expressie van de

cultuurcrisis die zo meedogeloos door Nietzsche is beschreven.

In 1948 publiceert T.S. Eliot zijn Notes Towards the Definition of Culture. Het is een

opmerkelijke poging het woord ‘cultuur’, dat zo vaak is misbruikt, zijn betekenis

terug te geven — met de uitgesproken verwachting dat dit een eerste stap is om

Europa uit haar cultuurcrisis te redden. Het is een pleidooi voor de betekenis van

(de christelijke) religie, elites, familie en gemeenschapsleven.

In Amerika leest Thomas Mann het essay en hij is niet overtuigd. In zijn dagboek

noteert hij: ‘Het essay komt niet over als het werk van een grote geest.’

5

In Rusland leest Nadjezjda Mandelstam het boekje en zij is boos. Ze verwijt

Eliot in haar Memoires geen begrip te hebben voor de kern van het probleem en

uitsluitend uit te zijn op het behoud van een conservatief wereldbeeld. Ernstiger

is dat de gelovige dichter, drie jaren na de oorlog, in zijn essay geen enkel woord

wijdt aan Hitler-Duitsland, de shoah, de betrokkenheid van het christendom bij de

jodenmoord. Eliot, zo stelt ze vast, heeft last van ‘cultuuraanbidding en dat heeft

nog nooit iemand gered en zal het ook nooit doen’.

George Steiners In Bluebeard’s Castle. Some Notes Towards the Redefinition of Culture

is, zoals de provocerende ondertitel al aangeeft, een scherpe kritiek. Steiner poneert

stellingen en stelt vragen die Eliot angstvallig heeft willen vermijden: wat is het in

onze cultuur dat de twintigste-eeuwse barbarij mogelijk heeft gemaakt? Waarom

zijn de humanistische tradities zo een zwakke barrière gebleken — als zij al een

barrière waren — tegen de politieke bestialiteit? De shoah is de ultieme poging

geweest een gods- en mensbeeld te vernietigen. Waarom en met welke gevolgen?

Nietzsche beleefde en beschreef de ‘Herbst der Kultur’, Steiner beleeft en beschrijft

dePost-Culture’. Kennis van de klassieken en het klassieke meesterschap

zijn irrelevant geworden. Niet langer is er ‘le dur désir de durer’ (Paul Eluard), het

streven om dat wat zal blijven, te scheppen. De stilte zonder welke de vita contemplativa

niet kan bestaan, is een schaars goed geworden waar lawaai wordt gecultiveerd.

De samenleving infantiliseert en debiliseert. Er is een tegencultuur, ook al omdat

het antwoord op de cruciale vraag ontbreekt: waarom zou men zich inspannen om

de cultuur te verfijnen en uit te dragen, als deze cultuur zelf zo weinig moeite heeft

gedaan om het onmenselijke te bestrijden, als zij zelf diepgewortelde tweeslachtigheden

bevat die soms zelfs tot barbarij aansporen?

i i i

George Steiner publiceerde zijn kritiek vijfendertig jaren geleden. Europa is veranderd:

de globalisering, het internet, de 24-uurseconomie, het verdwenen communisme,

het almachtige marktkapitalisme, de presentie van de islam, een groeiend

fundamentalisme, Amerika als enige supermacht, China als komende supermacht,

Europa in een identiteitscrisis.

Maar de vragen zijn niet veranderd. Integendeel. De cultuurstrijd, toenemende

conflicten over waarden, de onzekerheid over wat Europees is, zijn indicatief voor

het feit dat de vragen die Nietzsche al stelde, meer dan ooit van belang zijn: wat

is het fundament van de westerse cultuur? Wat is het wezen van onze humaniteit?

Welk wereldbeeld is de basis van onze moraal? Welke betekenis en belang kennen

wij toe aan kunst, religie, filosofie? Welke kennis hebben wij nodig? Wat beschouwen

wij als de vereisten om een beschaafde samenleving te zijn? Met welke maat

meten wij wat waarde heeft? Bestaan er transcendente, absolute waarden? Wie zijn

wij, willen wij zijn, zouden we moeten zijn?

In de eerste van een nieuwe reeks Nexus-conferenties zal in het jaar waarin

Rembrandts 400ste, Mozarts 250ste en Becketts 100ste geboortedag wordt gevierd,

aan de hand van de vraag naar de betekenis van de klassieken, kunst en het fenomeen

kitsch, een begin worden gemaakt met de zoektocht naar een nieuwe definitie

van de westerse cultuur.

6 i. be yon d t h e c l a ssic s

Het is een oude man in de verbeeldingswereld van Dostojewski die op een pregnante

wijze de tijdgeest samenvat met de vraag: ‘Wat is schoner: Shakespeare of

schoenen; Rafaël of olie?’ De keuze — met een overweldigende meerderheid van

stemmen — is bekend: schoenen en olie. Kennis van de klassieken is de wereld

van gisteren. Het werk van Rafaël is slechts bij kunsthistorici bekend en alleen in

de romans van Jane Austen is het nog geloofwaardig dat verliefden hun gevoelens

vertolken door uit de sonnetten van Shakespeare te citeren — uit het hoofd, wel

te verstaan. Alle aandacht en jubel om Mozart ten spijt behoort slechts vijf procent

van alle verkochte cd’s in Europa tot de ‘klassieke’ muziek. Eduard Steuermann,

een vriend van Schönberg en befaamd pianist, heeft ooit opgemerkt dat de klassieke

muziek — van Bach tot Schönberg — een vergankelijke categorie is, gedoemd om

in vergetelheid te raken. Dat lief hebbers van dit repertoire zich dat niet kunnen

voorstellen, doet weinig af aan deze realiteit. Zie ook het lot van symfonieorkesten.

De vraag is: waarom hebben we de klassieken achter ons gelaten? Wellicht dat

we door nog meer vragen te stellen een antwoord kunnen vinden. Zoals: is kennis

van de klassieken nog wel van enig nut voor de moderne samenleving? Klassieken

hebben altijd het collectieve culturele geheugen gevormd. Maar waartoe dit geheugen

voor een maatschappij die niet op het verleden maar op de toekomst gericht

wil zijn; een maatschappij die niet langer een monocultuur maar multicultureel en

global’ is? Italo Calvino wees erop dat een klassieker het boek is dat je herleest.

Maar wat als we niet eens tijd hebben om het een eerste keer te lezen? De klassieken,

zo wordt ons geleerd, zijn ‘het beste’ en ‘het grootste’. Maar ‘beste’ en ‘grootste’

van wat en wat moeten wij daarmee? Bovendien: wie bepaalt dat die werken het

beste en het grootste zijn?

Fundamenteler is de stelling van de cineast Andrei Tarkovski: ‘Een van de

meest treurige tekenen van onze tijd is de welhaast onomkeerbare teloorgang van

het besef van het schone en het eeuwige. De moderne consumptieve massacultuur

een beschaving van prothesen — verminkt de ziel en blokkeert de weg die de

mens voert naar de kernvragen van zijn bestaan, naar de bewustwording van zichzelf

als geestelijk wezen.’ Een hooggestemde gedachte, maar wat als ‘het schone’ en

‘het eeuwige’ helaas niet bestaan? Nietzsche is de eerste die dit doorziet. De tragiek

is, zo schrijft hij in Menschliches, Allzumenschliches, dat de grote kunst van Dante,

Rafaël of Michelangelo haar schoonheid en betekenis enkel en alleen te danken

heeft aan de grootste religieuze en filosofische vergissingen, aan het geloof in een

absolute waarheid. Zo gauw we ons realiseren dat deze waarheid en metafysische

betekenis er niet zijn, kunnen er geen werken meer zijn die eeuwige zeggingskracht

zullen hebben. Heeft Nietzsche gelijk en is dit de reden waarom we — sadder but

wiser — geen waarde meer hechten aan de klassieken?

Wat is het wezen van de klassieken? Wat is de betekenis van de klassieken?

Waarom blijft (bleef?) een werk eeuwenlang bestaan? Waarom hebben we de wereld

van de klassieken achter ons gelaten? Wat vertelt het lot van de oude klassieken over

de hedendaagse cultuur?

7

i i . w h y a rt, m usic, a n d p oe t ry?

‘De wereld wordt door de schoonheid gered!’ Ditmaal is het de idioot in Dostojewski’s

oeuvre die provoceert. Maar wie, bij zijn volle verstand, kan deze gedachte nog onderschrijven?

De schrijver en filosoof Hermann Broch wist al beter: ‘Kunst moet niet

mooi zijn, kunst moet waar zijn’, luidde zijn devies. Maar kan kunst nog wel waar

zijn, is de vraag die vervolgens Heidegger in 1950 stelt: ‘De vraag blijft alleen of de

kunst nog een wezenlijke en noodzakelijke manier is waarop de voor ons historisch

bestaan beslissende waarheid geschiedt, of dat ze dat niet meer is. En als ze dat niet

meer is, blijft de vraag waarom dat zo is.’

Nietzsche wist dat met een maatschappij in crisis ook de kunst in een crisis moet

geraken. Bijna laconiek noteert hij: ‘Die gute alte Zeit ist dahin und Mozart hat sie

ausgesungen.’ Maar in tegenstelling tot zijn leermeesters Schopenhauer en Wagner

gelooft hij niet dat de kunst de crisis van een maatschappij kan bezweren. Maar wat

kan de kunst dan wel? Wat is de rechtvaardiging van het bestaan van de kunstenaar

ooit held van de maatschappij?

Het zijn vragen waar Thomas Mann zijn hele leven mee heeft geworsteld. Als

in 1943 in zijn vaderland Hitler op het hoogtepunt van zijn macht is, begint de

banneling in Californië aan Doktor Faustus, een meesterwerk over de crisis van de

Europese cultuur en de verantwoordelijkheid van de kunstenaar. Waarom is de

kunst in een crisis geraakt? Wat vermag de kunst? Kan kunst ‘verlossen’? Wat is de

betekenis van kunst? Kan kunst nog wel ‘schoon’ én ‘waar’ zijn? Is er wel een relatie

tussen ‘esthetiek’ en ‘ethiek’? Heeft een kunstenaar een verantwoordelijkheid? Al

deze vragen van Mann laten zich nog steeds stellen.

In 1944 publiceert Curzio Malaparte zijn ooggetuigeverslag Kaputt, waarin hij

onder meer verhaalt van de copieuze diners in Warschau met Reichsminister en Generalgouverneur

Hans Frank, in 1946 op het Neurenberg-tribunaal ter dood veroordeeld

voor zijn grote aandeel in de shoah. Frank is een ware kunstlief hebber, kenner en

verzamelaar van kunst van de Italiaanse renaissance, en, zoals zijn vrouw Malaparte

laat weten, op moeilijke momenten gaat haar echtgenoot aan zijn dierbare Pleyelpiano

zitten en vraagt Schumann, Brahms, Chopin, Beethoven om rust of inspiratie.

Frank vertelt met trots dat Duitsland een land is van een hoge beschaving.

Met rede, methode, op een wetenschappelijke wijze worden de joden uitgeroeid en

niet met barbaarse methoden! Zijn echtgenote: ‘Hij is een kunstenaar, een groot

kunstenaar met een zuivere, gevoelige ziel...’ Vraag van George Steiner: waarom

zou men zich inspannen om de cultuur te verfijnen en uit te dragen, als deze cultuur

zelf zo weinig moeite heeft gedaan om het onmenselijke te bestrijden?

Geen cultuur zonder kunst, maar welke positie heeft de kunst in onze 21steeeuwse

samenleving? Zeitblom, de verteller in Doktor Faustus, merkt streng op:

‘Kunst is geest, en de geest behoeft zich volstrekt niet aan de maatschappij, de

gemeenschap gebonden te voelen — dat mág hij niet, vind ik, ter wille van zijn

vrijheid, zijn zedelijke voornaamheid. Een kunst die “naar het volk toegaat”, die de

behoeften van de massa, de kleine man, de benepenheid tot de hare maakt, komt

in de misère, en haar daartoe te verplichten, en, bijvoorbeeld van overheidswege,

maar één kunst toe te laten, die de kleine man begrijpt, is de ergste benepenheid

die er is en een moord op de geest. Deze, dat is mijn overtuiging, kan er bij zijn

gewaagdste, onaf hankelijkste, voor de massa minst geschikte aanvalspogingen,

8 onderzoekingen, experimenten zeker van zijn dat hij op een of andere zeer indirecte

manier de mens — en op den duur zelfs de mensen dient.’

Heldere taal, maar de hoogverheven kunst die onze zeergeleerde Duitse vriend

zo dierbaar is, is volstrekt marginaal in de hedendaagse maatschappij. Elke politicus

zal het vertellen: alleen als het sociaal-economisch belang onomstotelijk is

aangetoond, mag er op steun worden gerekend. Want waarom iets steunen dat niet

voor iedereen toegankelijk is of de maatschappij aantoonbaar beter kan maken? Het

ressentiment tegen de ‘hoge kunst’ kan zich uiten in onverschilligheid of uitgesproken

weerzin, maar het is hoe dan ook groot. Al wat in de cultuur ‘elitair’ is, is

antidemocratisch en alleen al daarom ‘fout’. Vanwaar deze cultuurhaat? Is het uit

domheid of het gegronde vermoeden dat de hoge kunst een vorm van snobisme is

welke niets meer te bieden heeft? En is er eigenlijk wel een wezenlijk verschil tussen

‘hoge’ en ‘lage’ kunst, of zijn beide slechts sociale constructies waarbij de smaken

verschillen? Is grote, hoge kunst, kunst die wil blijven bestaan, nog wel mogelijk?

En wat heeft de contemporaine kunst ons te bieden? Wat is de rechtvaardiging van

haar bestaan? Kunst is al lang niet meer de eenheid van het schone, goede en ware,

maar wat is het wel? Wat is kunst? Waarom kunst?

i i i . a k i t sc h c u lt u r e ?

‘Het is uitsluitend gericht op het aangename en negeert het beste.’ Socrates, die dit

opmerkt, geeft in zijn gesprek met Gorgias en Polus al de definitie van een begrip

dat pas vijfentwintig eeuwen later aan zijn onstuitbare opmars begint: kitsch.

Het aardige van kitsch is dat Dostojewkiaanse zorgen over het redden van de

wereld en wat al dan niet de ware schoonheid is, niet meer nodig zijn. Waar kitsch

regeert, is alles mooi, fijn en leuk. Kitsch is hart en ziel van de ‘Post-Culture’: niets is er

moeilijk, alles is onmiddellijk voor iedereen begrijpelijk, we hoeven geen moeite meer

te doen, alles is herkenbaar en bovenal: ‘it feels good! ’. Kitsch is massacultuur, het is

meest letterlijk cultuur waarin het volk regeert: mooi is wat de meesten mooi vinden;

goed is wat de publieke opinie goed vindt; belangrijk is wat iedereen wil weten.

Critici beweren: in deze cultuur bestaat geen kritiek; moeilijke vragen, eisen noch

plichten. Niets heeft intrinsieke waarde, want alles is gericht op het maximale effect,

op ‘verkoopbaar’ zijn. Niets is er echt, want alles is nep. Nietzsche — die ons als een

Vergilius door een cultuur in crisis leidt — weet dat kitsch deel is van de Umwertung

aller Werte: het ‘beste’ is geen kwaliteit meer, maar is een kwantiteit geworden. Andere

critici daarentegen waarschuwen dat er een essentieel verschil is tussen ‘populaire

cultuur’ en kitsch, en dat veel ‘hoge cultuur’ net zo goed kitsch kan zijn.

Is de westerse samenleving voor een groot deel een kitschcultuur geworden?

In hoeverre is kitsch doorgedrongen in de kunst, de politiek, de religie, de media,

de menselijke relaties? Kritische Europeanen noemen het ‘veramerikanisering’ —

waarmee impliciet, en tevens al te gemakkelijk, een schuldige is aangewezen. Belangrijker

is de vraag: vanwaar het massale verlangen naar kitsch? Welke invloed

heeft kitsch op onze maatschappij? Welke waarden worden door kitsch gepropageerd?

En als kitsch niet echt is, wat is dan wel echt? Waar vinden we het echte

ware, goede en schone? Wat kan nu nog het fundament van onze cultuur zijn?

Rob Riemen

Oprichter-directeur Nexus Instituut

#################################

 

 

#################################

http://archief.nrc.nl/?modus=l&text=de+schokkende+waarheid&hit=1&set=1

 

 

Ger Groot over Alain Badiou

 

 

De schokkende waarheid GER GROOT Alain Badiou is de nieuwe ster aan het firmament van de Franse filosofie.

Het werk van de radicale denker Alain Badiou wint de laatste jaren sterk aan populariteit.

Zijn wijsgerige passie is indrukwekkend. Maar zijn filosofie van het heldhaftige gebaar, heeft ook een bedenkelijke kant.

Al decennia lang heet het denken in Parijs op sterven te liggen, en steeds opnieuw weigert het hardnekkig te overlijden. Sinds de dood van Jacques Derrida,

de laatste grote postmoderne denker, bijna twee jaar geleden, leek de Franse filosofie definitief verweesd,

zoals ze dat een kwart eeuw eerder na de dood van Jean-Paul Sartre ook al geleken had.

Maar zoals toen postmoderne denkers als Derrida, Deleuze en Foucault de fakkel overnamen,

zo heeft de Franse filosofie ook nu een nieuwe ster. Het werk van Alain Badiou wordt alom vertaald en becommentarieerd.

In Frankrijk haalde zijn boek De ethiek verrassend hoge oplagen, net als zijn historische terugblik De twintigste eeuw.

Beide boeken zijn inmiddels in het Nederlands vertaald (een derde is in aantocht) en in de zojuist uitgekomen bundel.

Het uur van de waarheid wordt Badious gecompliceerde denken in kort bestek toegankelijk gemaakt.

Een jong talent is Badiou allerminst en het is dan ook niet zozeer een generatiebreuk die hem scheidt van de Franse postmodernisten,

maar het relativisme waardoor hun filosofie getekend is. Het moet de wijsbegeerte weer opnieuw om de waarheid te doen zijn, zo betoogt Badiou.

De wereld waarin wij leven (het zijn) heeft universele kenmerken, die voor ieder mens van betekenis zijn.

Die moet de filosofie dan ook zien op te sporen en daarbij moet ze zich laten leiden door de wetenschap, vooral door de strengste onder hen: de wiskunde.

Dat betekent niet dat de Franse filosofie met Badiou is teruggekeerd naar een bedaard en analytisch soort filosofie.

De wiskundige radicaliteit vormt bij hem eerder een breekijzer en wapen tegen de liberaal-kapitalistische consensus,

die de laatste decennia in zowel de politiek als de wijsbegeerte dominant is geworden.

Maatgevend voor hem zijn dan ook de grote revolutionaire omwentelingen van de laatste twee eeuwen:

De Franse Revolutie, de Parijse Commune, Oktober 1917, de gevechten voor de nationale bevrijding, of mei 68.

Als we bedenken dat ook de Chinese Culturele Revolutie in zijn boeken vaak als referentie dient, dan is dat een nogal verontrustende lijst.

Is de Russische Revolutie niet synoniem geworden met een totaal mislukt, verwoestend politiek project? Was haar Franse voorloopster,

naast de bekroning van de Verlichting, niet ook de opstap naar het eerste terreurbewind? En is mei 68, waarvan de gewelddadigheid in vergelijking bijna aandoenlijk is,

werkelijk een revolutie die vandaag de dag nog ernstig wordt genomen? Badiou neemt haar ernstig,

in de vastbesloten wil - zo verkaart hij - trouw te blijven aan haar waarheid en aan die van alle andere maatgevende omwentelingen.

 Dat zijn grote woorden, maar ze vormen dan ook het hart van zijn filosofie. Waarheid is de nieuwe ruimte die open komt te liggen wanneer oude,

verstikkende verhoudingen doorbroken zijn. En trouw is de ethische opdracht die daarmee gepaard gaat: de wil om de bevrijding

die zich daarin voltrokken heeft niet opnieuw te laten verstikken - zelfs niet door de nieuwe voorschriften, moraal

en misschien zelfs terreur die na de revolte moet zorgdragen voor een retour à lordre.

Dat klinkt plotseling buitengewoon romantisch en het is ongetwijfeld aan dit grote heldengebaar te danken

dat Badious verhandeling over De ethiek (aanvankelijk geschreven voor de middelbare-schooljeugd) zon grote weerklank heeft gevonden.

Daarin lijkt dit boekje de verre echo te zijn van Sartres bondige verhandeling Existentialisme is humanisme, dat direct na de Tweede Wereldoorlog veel begeestering wekte.

 Plotseling was daar een filosofie die niet alleen de wereld wilde verklaren, maar ook relevant wilde zijn voor het dagelijks leven en daarin een nieuwe roep tot vrijheid liet klinken.

Vastbesloten diende de mens zijn bestaansroeping op zich te nemen, had ook Heidegger ver vóór die oorlog al geroepen - met een even grote existentialistische koortsachtigheid tot gevolg.

Met de ineenstorting van de communistische wereld leek iedere politieke avontuurlijkheid in één klap in diskrediet te zijn geraakt.

De daaropvolgende decennia kenmerkten zich op de linkerflank vooral door politieke ingetogenheid,

die met lede ogen moest aanzien hoe er intussen een nieuwe liberale wereldorde werd ingericht.

Badious onversneden woede over die wisseltruc - mensenrechten vormen volgens hem vaak de dekmantel van een nieuw imperialisme

- raakt een gevoelige snaar bij een generatie die in de politiek iets méér wil zien dan beheer en behoud van het bestaande.

Anti-kapitalistische tractaten als Empire en De menigte van Toni Negri en Michael Hardt zijn populaire literatuur in de anti-globalistische beweging

- die in de radicale ogen van Badiou overigens weinig meer is dan een rimpeling in de kapitalistische vijver.

Vrijwel alles wat gewoonlijk politiek wordt genoemd, is volgens hem die naam nauwelijks waardig.

Het handwerk van alledag is er voornamelijk op gericht de zaken min of meer in het gareel te houden - en daarmee dat de maatschappelijke verhoudingen niet werkelijk veranderen.

Geheel in strijd met de tijdgeest heeft Badiou dan ook weinig waardering voor Hannah Arendt, die politiek vooral als een gereglementeerde discussie van de samenleving met zichzelf beschouwde.

Zon vrijblijvende discussieruimte miskent immers dat het gesprek ook ergens over moet gaan, zo werpt Badiou tegen, en dat de inhoud daarvan niet vrijblijvend is.

 De agenda moet bepaald worden door een urgentie die door niemand kan worden ontkend of genegeerd,

omdat zich in het politieke leven gebeurtenissen voordoen die absoluut maatgevend zijn. Dergelijke evenementen zijn de eerder genoemde revolutionaire omwentelingen.

Evenementen bestendigen de wereld niet, maar schokken en doorbreken de gang van de geschiedenis. Ze scheppen iets nieuws binnen een situatie die verstard en vastgelopen is geraakt.

Aan de vooravond van mei 68 merkte een minister tegenover het staatshoofd op dat Frankrijk zich verveelde;

aan de vooravond van de Franse Revolutie barstte de economische macht van de burgerij uit het nauwe keurslijf waarin het politiek was ingesnoerd.

Misschien vormen die twee vaststellingen een ironische maat voor de diepgang van beide gebeurtenissen, maar een feit is dat erna niets meer was zoals daarvoor.

Ethisch neutraal zijn dergelijke veranderingen echter niet. Zij slaan als het ware een gat in de geschiedenis, waardoorheen een nieuwe vrijheid binnenstroomt.

De mens is opnieuw in staat zichzelf uit te vinden. Losgemaakt uit alles wat hem vastbond (staat en stand, gezin, geslacht en vooral alles wat dat aan plichten

en beperkingen met zich meebrengt) vormt hij als het ware zijn eigen materiaal.

De twintigste eeuw, zo schrijft Badiou in zijn terugblik over de afgelopen honderd jaar, heeft dan ook voornamelijk in het teken gestaan van de uitvinding van de nieuwe mens,

die leefde vanuit de overtuiging dat niets in hem is voorgegeven of voorbestemd. De dood van God, die aan het einde van de negentiende eeuw door Nietzsche werd geproclameerd,

bevrijdde hem niet alleen van het bovenmaanse, maar vooral van de vergissing vastgekluisterd te zijn aan een bepaalde, door God ingeschapen natuur en de daarbij behorende verplichtingen en verhoudingen. Ondanks al dit romantische pathos is dat bij uitstek een Verlichtings-gedachte, die bijna vanzelf een bondgenootschap met de wetenschappen aangaat.

De dood van God, de verdamping van een eeuwige en onveranderlijke menselijke natuur, het besef dat alleen de aardse werkelijkheid bestaat en dat zij vanuit haar eigen wetten moet worden begrepen, maken allemaal deel uit van de achttiende-eeuwse erfenis, waarmee de mens voor het eerst zijn eigen en enige autoriteit werd.

Dat mondde uiteindelijk uit in Sartres oproep tot onbegrensde menselijke vrijheid, die echter (zeker aanvankelijk) nog een veel te individualistisch stempel droeg.

Maar een filosofie die waarheid zoekt, zoekt die voor alle mensen, aldus Badiou. Nadat het postmoderne denken verklaard had

dat een allesomvattende filosofische theorie van de werkelijkheid voorgoed onmogelijk geworden was, tracht Badiou

die impasse sinds het midden van de jaren tachtig te boven te komen door langs wiskundige wegen een nieuwe zijnsleer te ontvouwen.

Eén ding onderscheidt hem daarbij echter van zijn middeleeuwse voorgangers. Anders dan zij kan hij niet meer uitgaan van de gedachte

dat de wereld bijeengehouden wordt door de éénheidsscheppende wil van God.

Als er geen bovennatuur meer is, dan is het zijn alleen nog terug te vinden in een wereld van verstrooiïng.

Het enige wat bestaat zijn afzonderlijke dingen, standen van zaken en losse ideeën. Daar moet de filosofie het voortaan mee doen.

Om in die verdeeldheid enige coherentie te krijgen doet Badiou een beroep op de verzamelingsleer die in het begin van de twintigste eeuw in de wiskunde werd ontwikkeld.

Ook dát was een revolutie die de mathematica een nieuw begin gaf dat vanaf dat moment onontkoombaar was geworden, aldus Badiou.

De filosofie houdt zij twee uiterst belangrijke ontdekkingen voor. Ten eerste blijkt het de verzamelingenleer niet te lukken binnen haar domein een laatste,

alomvattende éénheid tot stand te brengen.

En dat betekent dat ook de filosofie - die het wiskundige model volgt - de werkelijkheid (het zijn) alleen maar kan denken als een veelheid die nooit tot volledige coherentie te brengen is.

Haar waarheid heeft de vorm van een inconsistente veelheid.

En daarmee is ook de tweede les die Badiou aan de wiskunde ontleent gegeven.

Elk wiskundig stelsel begint met een axioma, dat niet verder gefundeerd wordt, zo stelt hij vast.

De waarheid en betekenis ervan blijkt slechts in de doorwerking ervan en de stellingen waartoe het grond biedt. Raakt het uitgeput of loopt het vast,

dan zal het springen en plaats moeten maken voor een ander axiomatisch systeem. Zo gaat het volgens Badiou niet alleen in de wetenschap, maar ook in de politiek, de kunst en zelfs de liefde.

Ook die laatste begint immers met een allesomverwerpend moment. De ontmoeting waaraan de verliefdheid ontspringt is toevallig,

maar is tegelijk een punt van absolute waarheid: hiernaar zal in het vervolg heel ons leven zich richten.

Tegelijk weet niemand nog wat dit (axiomatische) aanvangspunt in petto heeft. De betekenis ervan zal zich pas gaandeweg ontvouwen,

vanuit het nulpunt waarin het leven zich als het ware opent. In dat laatste, aldus Badiou, komt de waarheid van de (incoherente) wereld tot uitdrukking, omdat het ons losscheurt uit alles wat vast leek te liggen, en van daaruit zijn wij geroepen tot een ethiek van trouw.

Die twee (waarheid en trouw) horen bij elkaar, zoals zo mooi tot uitdrukking komt in de Engelse liefdesvraag: Are you true, my love?

Dit bijna idyllische intermezzo neemt echter de bedenkelijkheid van Badious aanstekelijke radicalisme niet weg.

Veelzeggend in het liefdesvoorbeeld is dat het zich concentreert op de passie en de verliefdheid, die slechts een aanvangsmoment vormen van het doorsnee-huwelijksleven.

Een dergelijke concentratie op de top-momenten kenmerkt ook Badious filosofie van de andere drie gebieden waarin volgens hem de waarheid zich toont: wetenschap, kunst en politiek.

 Het zijn de revoluties die ertoe doen. Alles wat daartussenin zit is slechts beheer, opinie en administratie.

Vreemd is het dan ook niet dat Badiou met onverholen minachting spreekt over de mensenrechten en het humanitaire discours

dat de mens slechts als slachtoffer kan zien en daarmee zijn wilskracht fnuikt. De passie om de wereld te willen veranderen

en een nieuwe mensheid te scheppen is sinds de jaren tachtig uit de politiek verdwenen, zo klaagt hij in De twintigste eeuw.

De plaats daarvan is ingenomen door een bleek liberalisme, dat achter het mombakkes van de hulpverlener de aloude tronie verbergt

van een roofzuchtige klasse die slechts belang heeft bij de status quo. Erg nieuw zijn deze aantijgingen niet,

al krijgt men bijna bewondering voor de onboetvaardige felheid waarmee Badiou hen tegen de klippen op blijft herhalen.

Voorzichtigheid of nuance zijn woorden die in zijn vocabulaire niet voorkomen, tenzij als verwijt.

En daarmee wordt het filosofische probleem van deze revolutionaire denker zichtbaar.

Trouw aan zijn wijsgerige opdracht is hij immers wel degelijk wanneer hij de grondslagen van ons denken op alle mogelijke gebieden onderzoekt,

en vooral wanneer hij dat zo grondig en systematisch doet als in zijn hoofdwerken gebeurt. Maar filosofische systemen zijn nooit geheel dwingend,

hoe virtuoos ze ook worden geënt op de onweerlegbare logica van de wiskunde.

Tussen wetenschap en politiek kiert altijd een kloof, die de filosofie hoogstens kan overbruggen door middel van een analogie: de één is zoals de ander.

Maar in welk opzicht dat zo is, hoe ver die overeenkomst gaat en wat daarbij wordt weggelaten, is een kwestie van filosofische beslissing,

waaraan elke wetenschappelijke noodzaak ontbreekt.

Wanneer de filosofie radicale vragen stelt, neemt ze altijd een risico. Inderdaad is het binnen het naoorlogse politieke denken nauwelijks mogelijk, laat staan fatsoenlijk,

het democratische parlementarisme werkelijk ter discussie te stellen. Dat Badiou dit onfatsoen op zich neemt, siert hem als filosoof.

Maar het wettigt niet het radicalisme waarmee hij vervolgens de alledaagsheid (van mensenrechten tot de sleetse liefde en politieke prudentie

die de boel bijeen houdt) minacht uit naam van een wijsgerige topervaring. De populariteit van Badious denken is een op zijn minst gemengde zegen.

Verheugend is daarin de wil tot filosofische inspanning en grondigheid - wàt men van Badious gebruik van de wiskunde ook vinden mag - en zijn beroep op de wijsgerige passie.

Tegelijk is die laatste ook zijn achilleshiel. Het ontbreekt in zijn axiomatiek zowel principieel als feitelijk aan de mogelijkheid van distantie en zelfkritiek.

 Dwars door alle wiskundige gestrengheid heen onderscheidt uiteindelijk dat laatste de denker van de rattenvanger.

Alain Badiou werd in 1937 geboren in de Marokkaanse hoofdstad Rabat, als zoon van een onderwijzer.

Als student aan de prestigieuze École normale supérieure maakte hij kennis met de communistische ideoloog Louis Althusser,

wiens leerling hij werd. Zoals veel linkse intellectuelen in Frankrijk raakte hij tegen het eind van de jaren zestig in de ban van het maoïsme.

Sinds de oprichting van de Organisation politique in het midden van de jaren tachtig richt hij zich vooral op de verdediging van de rechten van illegalen en sans papiers.

Vanaf 1969 doceerde Badiou aan de universiteit van Vincennes (later Saint-Denis). In 1999 keerde hij terug naar de École normale.

Regelmatig doceert hij nog aan het Collège international de philosophie.
Het filosofisch oeuvre van Badiou omvat tot nu toe meer dan twintig boeken, waarvan Lêtre et lévénement ( Zijn en evenement) uit 1988 het hoofdwerk vormt.

Dit voorjaar verscheen een al even omvangrijk vervolgdeel: Logiques des mondes (Logicas der werelden).

In Nederland staat ook een vertaling van Badious monografie over Deleuze (Klement) op stapel. Naast zijn filosofische werk schreef Badiou een viertal toneelstukken en enkele romans.

 

http://www2.eur.nl/fw/cfk/upcoming%20events/arminius.htm

3 oktober 2006 in de Arminiuskerk

 

 

http://www2.eur.nl/fw/cfk/InterAkta/InterAkta%203/ia3%201.htm

Interakta 2001

kanttekeningen bij een debat

van Ger Groot

Beeldentaboe of kunst als verkrachting

 

http://www2.eur.nl/fw/cfk/InterAkta/InterAkta%203/PDF/art.interakta3.gg.def.pdf

http://www2.eur.nl/fw/cfk/InterAkta/InterAkta%203/ia3%202.htm

 

##################################################

IN DE REEKS Rotterdamse Filosofische Studies; Filosofie en Kunst1:

RFS14:Van Plato tot Nietzsche: acht inleidingen in de esthetica

 

H.A.F. Oosterling & A.W. Prins (red.)

Erasmus Universiteit Rotterdam, Faculteit der Wijsbegeerte.
Rotterdamse Filosofische Studies deel 14
ISBN 90 70116 66 9   © 1992

 

INHOUD:

- Voorwoord
-
Plato over kunstenaars en kunstwerken Kanttekeningen bij de grote waterscheiding Awee Prins
- Aristoteles en de emancipatie van de kunst Jeroen van Rijen
- Schoonheid en waarheid. Het esthetisch essentialisme van Thomas van Aquino Henri Krop
- Kant, Transcendentaal filosoferen over het kunstwerk Frans de Jong
- Hegels esthetica. De lust van het raadsel Heinz Kimmerle
- Kunst als organon. De romantische esthetica van Schelling Jos de Mul
- Arthur Schopenhauers mystieke esthetica. Kunstfilosofie als bevrijdingsleer Douwe Tiemersma
- Balanceren tussen filosofie en kunst. Nietzsches fysiologie van de esthetiek Henk Oosterling

 
Voorwoord

In deze bundel worden acht inleidingen in de esthetica gepresenteerd. De teksten werden uitgesproken in 1990 en 1991 in Zaal de Unie en de Erasmus Universiteit te Rotterdam. De lezingen gingen gepaard met presentaties, waarbij van verschillende artistieke media gebruik werd gemaakt. Deze konden echter om praktische redenen niet in deze bundel worden weergegeven.

Hoewel de esthetica als filosofische discipline eerst aan het eind van de achttiende eeuw wordt geïntroduceerd door Baumgarten zijn theorieën over kunstwerken, de kunstzinnige schepping en de ervaring van kunst een integraal deel van het Westerse gedachtengoed. Vragen als "Wat is schoonheid?", "Wat is de verhouding tussen schoonheid en waarheid", "Wat is inspiratie?", "Wat is het specifieke gehalte van de esthetische ervaring?" en "Wat is de plaats van de kunst in het leven van een individu en haar rol in de samenleving?" zijn van meet af aan door Westerse filosofen gesteld.

De in deze bundel bijeengebrachte inleidingen beogen eerder een impressie dan een volledig overzicht te geven. Weliswaar worden filosofen besproken die in elke inleiding in de geschiedenis van de esthetica worden aangetroffen, toch ontbreken er belangrijke schakels. Wel zijn deze in het werk van de besproken denkers voorondersteld. Zo refereert bijvoorbeeld Kant regelmatig aan Burke, steunt Schellings werk op Schillers gedachtengoed en analyseert Hegel zelfs de hele geschiedenis van het denken over de kunst.

In de eerste bijdrage Plato over kunstenaars en kunstwerken Kanttekeningen bij de grote waterscheiding plaatst Awee Prins kanttekeningen bij het traditionele beeld van Plato als de filosoof die de kunst onder curatele van het denken heeft gesteld. Jeroen van Rijen belicht vervolgens het louterende en emancipatorische aspect van de kunst in het denken van Aristoteles, waarbij hij positieve aandacht schenkt aan de in de 19e eeuw opgekomen therapeutische duiding van het katharsis-begrip. In de filosofie van Thomas van Aquino speelt de esthetica als aparte discipline weliswaar geen rol, toch meent Henri Krop dat er, door de onlosmakelijke band tussen waarheid en schoonheid voor de bepaling van het goddelijke, in Aquino's religieuze filosofie wel degelijk voor onze tijd relevante esthetische aspecten aanwezig zijn. In de bijdrage van Frans de Jong wordt Kants specifieke argumentatie-respons op het waarderen van de kunst samengevat. Heinz Kimmerle presenteert een lezing van het werk van Hegel, Hegels esthetica De lust van het raadsel, waarin de onderschikking van kunst aan religie en filosofie wordt aangevochten. In de bijdrage Kunst als organon de romantische esthetica van Schelling betoogt Jos de Mul dat Schelling de eerste moderne filosoof is, die de kunst nadrukkelijk boven de filosofie plaats als haar ware Organon. Tenslotte toont Henk Oosterling in Balanceren tussen filosofie en kunst Nietzsches fysiologie van de esthetiek hoe Nietzsche vanuit zijn vroege esthetische theorie, waarin hij nog over de kunst spreekt, geleidelijkaan zijn eigen denken, dat in de afgrondelijke gedachte van de eeuwige terugkeer culmineert, esthetiseert.

Deze bundel is de eerste van twee, gewijd aan de verhouding tussen filosofie en kunst. In geen van beide gevallen betreft het een gelegenheidsexercitie. De toenemende belangstelling voor de rol van de kunst in de samenleving blijkt niet alleen uit lange rijen bezoekers voor de poorten van de kunstkathedralen, de exorbitant hoge prijzen voor kunstwerken en de explosieve toename van kunstprogramma op tv, ook de integratie van designartikelen in ons dagelijks bestaan duidt op een esthetiserende tendens in de huidige Westerse cultuur. Behalve dat filosofen deze tendenzen proberen te verhelderen, zijn zij zich er in toenemende mate van bewust geworden dat het gesprek met de kunst het statuut van de filosofie zelf in het hart treft. Dat dit verband houdt met de crisis waarin de filosofie hedentendage verkeert, ligt voor de hand. Niet langer geldt de filosofie als dé legitimatie van het wetenschappelijk vertoog. De gevoeligheid voor de vorm van het filosofisch vertoog, die voortgekomen is uit de prangende vraag naar de legitimatie, heeft de aandacht van hedendaagse filosofen gevestigd op de esthetische kwaliteiten ervan. De rigide scheiding van inhoud en vorm is teniet gedaan, waardoor het stijlbegrip, waarin vorm en inhoud samenkomen, een steeds vooraanstaander plaats in het filosoferen heeft ingenomen.

Maar de belangstelling komt niet alleen van de zijde van de filosofie. Ook de niet te onderschatten rol van het filosofisch gedachtengoed binnen de avant-garde kunst bevestigt de noodzaak van uitwisseling. Dit draagt er mede toe bij, dat de overheersende rol van de filosofie plaats maakt voor een meer terughoudender opstelling: de filosofie spreekt niet meer over de kunst, maar eerder tot, en met de kunst. In deze eerste bundel overheerst echter nog het traditionele spreken 'over' kunst. De auteurs hebben getracht de traditionele theorieën weer te geven. Toch valt hier en daar al een zekere ondermijning van dit spreken 'over' de kunst te bespeuren.

Henk Oosterling, Awee Prins
oktober 1992  

 http://www2.eur.nl/fw/cfk/uitgaves/fk1/fk1e.shtml

http://www2.eur.nl/fw/cfk/uitgaves/fk1/fk1c.shtml